2007
Kunst- en natuurwandeling Groene Revolutie
(een landschap in revolutionaire verandering)
Geschiedenis
Het bosgebied waarin sinds 2005 kunst in de natuur wordt georganiseerd bestaat eigenlijk pas sinds kort. Voorheen was het terrein voornamelijk woeste grond bestaande uit heidevelden, zandverstuivingen en veenplassen. Al tijdens de vervening werd er hier en daar bos aangeplant op stukken die niet geschikt waren voor akkerbouw(ca 1870). In de jaren 20 van de 20e eeuw (1920) ging het echter hard. Door middel van de inzet van werklozen, die in die wereldwijde crisistijd min of meer gedwongen te werk werden gesteld, werd het gebied volledig voorzien van een groene deklaag in de vorm van diverse soorten denne- en loofbomen zoals grove den, fijnspar, Japanse lariks, Douglas, Tsuga, inlandse eiken, beuken en Amerikaans eiken. De keien- of te wel flintenweg die het bos doorsnijdt is ook in die crisistijd aangelegd als werklozenproject met als materiaal de duizenden, uit de ijstijd stammende, zwerfkeien die tijdens de bosaanleg en ontginning uit de ondergrond tevoorschijn kwamen. Deze karakteristieke weg maakt intussen deel uit van de Pieterpadroute. Het proces van bebossing ging ondertussen voort tot omtrent 1948. De laatste grote percelen werden toen ingeplant direct achter de gletsjerkuil. Een zekere Jan Dam werkte hier in die tijd als jonge, 14 jarige postbode en hij herinnert zich nog heel goed dat hij over de vlakte fietste zonder dat er een boom te zien was. Slecht heide en veenplassen zo ver het oog reikte. Het landschap rond Schoonoord is dus ingrijpend, op revolutionaire wijze, veranderd. Deze stille, door werklozen gerealiseerde, groene revolutie is het thema voor 2007.
‘De herder’ - Louis Albert Roessingh ( 1873 – 1951)
Dit schilderij(omstreeks 1918) laat de omgeving van Schoonoord zien zoals het nog was in het begin van de 20e eeuw: één kale woeste heidevlakte, het terrein van de herder en zijn schapen (bezit Drents Museum , Assen)
Aanvullende informatie over de inzet van werklozen
Werkverschaffing.
Een vorm van ontginning die vooral in de crisisjaren (ruwweg tussen 1930 en 1940) een grote vlucht heeft genomen, was bosaanleg in werkverschaffing. Bosaanleg, omdat de bewuste gronden niet geschikt waren voor landbouwdoeleinden en werkverschaffing als overheidsmiddel om werklozen tijdelijk en tegen een schamel loon in te schakelen "ten bate van het Nederlandse bos", zoals het heette.
Onder erbarmelijke omstandigheden werden werklozen door de overheid gedwongen zeer zwaar werk te doen voor een hongerloontje. Bijvoorbeeld het ontginnen van een hoogveengebied of het graven van een kanaal. Alles met de schop, de kruiwagen en de kiepkar die met de hand voortgeduwd moest worden. Wie weigerde of het werk niet kon volhouden kreeg geen steun en was aangewezen op een zeer schamele uitkering van de armenzorg.
Het scheuren en omzetten van de woeste gronden gebeurde soms ook met paardenkracht (bezit Drents Archief, Assen)
In het begin van de 20-er jaren kwamen de eerste werkverschaffingsprojecten van het rijk. In de jaren '30 volgde massale werkloosheid als gevolg van een grote economische crisis. (van 50.000 geregistreerde werklozen in 1929 naar 500.000 in 1935). De werkverschaffing was in die jaren bedoeld om de dwang tot arbeid op peil te houden en de steunuitkeringen binnen de perken te houden. Werkloosheid werd dan ook zwaar bestraft o.a door de verplichting dagelijks te stempelen, steun in natura met zware thuiscontroles, herkenbare steunkleren, straf op het huwelijk. Werkverschaffing betekende werk ver van huis, slecht vervoer en eens in de 14 dagen naar huis. Het verzet tegen de gedwongen werkverschaffing overheerste dan ook sinds de jaren '20 en verschillende stakingen in de werkverschaffing braken uit.
Veel van het werk werd nog met schop en spierkracht gedaan (bezit DrentsArchief, Assen)
Als gevolg van toenemend verzet werd in 1939 de werkverschaffing vervangen door de werkverruiming. Deze moest volwaardige ver-vangende arbeid gaan bieden voor valide arbeidskrachten. In 1944 werd de Dienst Uitvoerende Werken (DUW) gesticht in het bevrijde zuiden. Het doel van de DUW heette te zijn het verruimen van de werkgelegenheid en het verschaffen van nuttige arbeid aan werklozen. In werkelijkheid richtte de DUW zich op tijdelijk werklozen. De dwang bleef bestaan en het werk bleef primitief en ongezond en de arbeidsvoorzieningen slecht. Bijnamen voor de DUW waren dan ook: 'Door Uitbuiting Winst' en 'Door Uitputting tot Wanhoop'.
De D.U.W. dat de opvolgster was van de werkverschaffing (het verschaffen van gelegenheid tot werk door de overheid buiten het normale produktieproces, waarbij de arbeiders echter als werkloos geregistreerd blijven. Dat hield dus in dat werkeloze hand- en hoofdarbeiders in de crisisjaren en ook tijdens de oorlog in heel het land graaf- en grondwerk moesten verrichten voor een schijntje. Als werkelozen weigerden dit werk te doen, dan werd hun steun ingehouden en waren vrouw en kinderen van een getrouwde werkeloze man ook de dupe.